Dit drieluik is ontstaan vanuit een creatieve samenwerking tussen Praktijkhuizen Arnhem en Zutphen, met een duidelijke link naar dat waar we als we als organisatie voor staan & dat wat we willen bieden vanuit onze praktijkhuizen: een plek waar je jezelf mag zijn, met je kwetsbaarheden en onzekerheden en wat er ook maar speelt.
De schemer hangt laag over de stad. De klinkers glimmen nog van een late miezerbui en de lantarens geven een doffe, amberkleurige gloed die meer schaduw lijkt te werpen dan licht. Sanne trekt haar jas wat dichter om zich heen. Het was net sluitingstijd; de winkeldeur achter haar was in het slot gevallen en de stilte die valt, voelt dik en zwaar. Als een deken over de smalle straatjes.
Ze loopt richting het plein, op weg naar huis. Het geluid treft haar; een scherp, klaaglijk gekrijs van een kat. Of meerdere. Het snijdt door haar heen. Rauw, wanhopig, en zó menselijk dat ze even stil staat.
Haar hart begint sneller te slaan.
Nog een keer, iets verderop, bij een zijstraat waar ze zelden komt. Zonder na te denken loopt ze die kant op. Haar hakken tikken ritmisch over de stenen. Tot ze bij een smalle doorgang komt, waar een verweerd houten bord hangt: “Café de Kattenmand.” De letters half vervaagd, alsof niemand ze in jaren had gelezen.
Ze fronst. Een kattencafé? Hier? Ze werkt al drie jaar in de buurt en heeft er nooit over gehoord. Achter de beslagen ramen is alles donker. Maar het geluid komt van binnen. Een lange, doordringende miauw, gevolgd door een sissend koor. Sanne voelt iets in haar buik. Een knoop van onrust, zorg en spanning. Dit is geen goed idee!
Wat als iemand me ziet? Ze slikt. Winkelmanager van Moois&Meer breekt in bij kattencafé. Dat zou nog eens een bijzondere krantenkop opleveren!
Toch houdt het haar niet tegen. Ze probeert de deur. Op slot. Ze had ook niet verwacht dat het zo makkelijk zou zijn. Ze zucht. Haar adem is zichtbaar in de kille avondlucht. Ze klopt voorzichtig op de deur. Luistert. Niets.
Aan de zijkant van het café, tussen twee kliko’s, ziet ze een klein raam. Het staat op een kier. Daar zou ze wel doorheen kunnen. Ze schuift een kliko onder het raam en klimt er met een soepele beweging bovenop. Wanneer ze gaat staan en naar het raam reikt, gaat het bijna mis. ‘Aaaaah!’. Ze verliest de balans met haar rechter hak. Gelukkig weet ze zichzelf aan een steen van de muur vast te houden. Het geluid van haar stem echoot door het steegje. Ze kijkt om zich heen. Niemand in de buurt. Ze duwt het raampje verder open. De kou van het metaal snijdt langs haar handen, terwijl ze zich omhoog trekt.
Van binnen komt de geur van koffie haar tegemoet. Ook ruikt ze hout en iets zoetigs. Kattenvoer? Met enige moeite wringt ze zich door de opening van het raam. Wanneer ze met haar schoenen aan de andere kant de grond weer raakt, voelt ze iets zachts langs haar been glijden. Ze verstijft. Een zacht ‘miaaauw’. Een kat. ‘Liefje…” fluistert ze, half gerustgesteld, half bezorgd.
Haar ogen moeten even wennen aan het zwakke maanlicht dat door het raam komt. Dan ziet ze ogen. Tientallen. Misschien wel honderd. Ze glanzen in het duister. Geelgroen, fel als gloeiende knopen. De katten zitten overal. Op tafels, stoelen, de toonbank. Allemaal staren ze in één richting.
In het midden van de ruimte ziet ze de contouren van een kat met zijn vacht recht overeind. Zijn rug is krom, zijn bek wijd open. Een ijzingwekkend gekrijs komt bij hem vandaan. De anderen kijken toe, stil, bewegingsloos, als een tribunaal dat het oordeel nog niet heeft geveld. Sanne’s keel droogt op. Wat ís dit? Ze tast langs de muur en vind een knop. Een klik. Licht.
De ruimte vult zich met een zacht, amberkleurig schijnsel. Haar adem stokt. Alle katten zijn identiek. Zelfde vacht: grijs met een lichte streep. Zelfde ogen. Zelfde houding. Een leger van klonen. In perfecte stilte, richten allen katten nu hun blik op haar. Hun ogen smal, de pupillen dunne spleetjes.
Ineens klinkt er muziek. Een oude grammofoon, krakend en schurend, begint te draaien. “Non, je ne regrette rien…” Edith Piaf’s stem vult de ruimte, breekbaar en tegelijk dreigend, alsof de muren zelf het nummer meezingen. Sanne staat aan de vloer genageld. Een vreemd, loom gevoel trekt door haar lichaam, als een warme stroom die niet van haar lijkt. Het gezang lijkt zich in haar hoofd te nestelen. Elk woord een bevel. De katten beginnen te bewegen. Hun aandacht wordt naar de andere kant van het café getrokken. De muziek stokt, schraapt even. Dan begint het opnieuw. “Non… je ne regrette rien…”
Een piepend geluid breekt de trance. Achter de bar gaat een deur open. Langzaam, als een film die vertraagd wordt afgespeeld, draait Sanne haar hoofd richting de bar. In de deuropening staat jonge vrouw. Zelfde lengte. Zelfde haar. Zelfde jas.
“Wat gebeurt er met me?” Haar stem klinkt schor en vreemd hoog. De tinteling kruipt verder, langs haar enkels, haar knieën, haar dijen. Een warme golf van verandering. Ze voelt een beweging achter haar rug, een zwaai, een staart. Haar vingers krommend, vervormen zich, veranderen in zachte, ronde pootjes waaruit langzaam de nageltjes groeien. Haar ademhaling wordt snel, paniekerig, maar diep van binnen voelt ze een vreemd soort rust over zich komen. Het voelt kloppend. Een kalm gevoel dat ze niet herkent. Alsof ze eindelijk op mag houden met zoeken.
De muziek speelt opnieuw, zachter nu. De andere katten komen dichterbij. Ze cirkelen om haar heen. Hun ogen geven nu een zachte gloed in het halfdonker. De vrouw, haar evenbeeld, stapt achteruit en lost op in een grijzige mist, alsof ze nooit heeft bestaan.
De geur van oud hout en melk vult Sanne’s neus. Ze voelt de laatste tinteling in haar gezicht, haar wangen, haar neus, haar oren. Snorharen springen tevoorschijn, zacht tegen haar huid. De wereld word scherper, voller. Ze hoort elke krak, elke ademhaling. Ze proeft het stof in de lucht. De lichten dimmen vanzelf. De grammofoon stopt met draaien. Het café vult zich met tevreden gespin.
Sanne, of wat zij ooit was, rekt zich uit, haar rug sierlijk krommend. Ze springt op het raamkozijn, draait een keer om zichzelf heen en gaat liggen. De maan schijnt bleek door het glas en werpt zilveren vlekken over haar vacht. Buiten is de stad stil. De lantarens gedempt. De klinkers glimmen. Een nieuwe kat sluit haar ogen, zacht spinnend. Een nieuw geluid ontwaakt. Er wordt op de deur geklopt.
‘Hallo? Is daar iemand? Ik hoorde katten…’
Benieuwd naar het vervolg? Lees deel II en deel III hieronder.
Kattencafé deel II – De lach van Johan
Kattencafé deel III – Potluck